Breed evalueren

Evalueren is een startpunt, geen eindpunt

Door leerlingen in onze evaluatie breed te benaderen, streven we verschillende doelen na. Ontdek ze hieronder.

Inleiding

Als school streven we ernaar ons onderwijs te laten aansluiten bij de interesses, competenties, leefwereld … van onze leerlingen. Om daar een goed beeld van te krijgen, dompelen we leerlingen veelvuldig onder in situaties die hen de kans geven om zich persoonlijk te ontwikkelen. We denken hierbij zowel aan de reguliere lessen als aan de POP-uren (Persoonlijk Ontwikkelings-uren) die het Inspirocollege aanbiedt. Het zit in het DNA van de POP-uren om leerlingen de beste versie van zichzelf te laten ontdekken in zeer diverse domeinen en interessegebieden. Ook de reguliere lessen bieden echter tal van mogelijkheden om een goed zelfbeeld te ontwikkelen. Leerkrachten creëren daarvoor krachtige leeromgevingen waarin ze gebruik maken van verschillende activerende werkvormen die hen de mogelijkheid bieden om de leerlingen individueel en in groep te observeren, feedbackgesprekken aan te gaan … kortom om breed te evalueren.

Door leerlingen in onze evaluatie breed te benaderen, streven we verschillende doelen na.  In de eerste plaats willen we zicht krijgen op wat de leerlingen kennen en kunnen, in welke mate ze erin slagen de minimumdoelstellingen en de leerplandoelstellingen te bereiken. Dit vooral met als doel actief aan de slag te gaan met de verkregen informatie met het oog op hun verdere ontwikkeling. Evaluatie is m.a.w. steeds een startpunt en geen eindpunt.

Via breed evalueren willen we leerlingen anderzijds ook stimuleren om hun eigen leerproces actief in handen te nemen. Dat gebeurt door leerlingen regelmatig te laten reflecteren over hun vorderingen en hierover in gesprek te gaan met de leerkracht. Op die manier kunnen leerlingen én leerkrachten hun aanpak evalueren en waar nodig bijsturen.

Omschrijving

Door breed te evalueren focussen we ons op het leerproces met als doel de leerresultaten positief te beïnvloeden om zo zowel de leerling als de leerkracht een correct beeld te geven van het leerrendement.

Breed evalueren staat voor kwaliteitsvol evalueren. De evaluatie wordt immers afgestemd op de noden van alle leerlingen. De hoofddoelstelling bestaat er niet in een selectiemiddel te zijn, maar wel leerlingen te ondersteunen in het ontwikkelen van een realistisch en positief zelfbeeld dat hen in staat stelt op elk scharniermoment een studiekeuze te maken met maximaal kans op slagen.

Door breed te evalueren kijken we naar een persoon in zijn totaliteit vanuit verschillende invalshoeken en op verschillende manieren.

  • Persoon in zijn totaliteit: er wordt niet alleen gekeken naar resultaten, maar ook naar interesses, talenten, attitude, motivatie, zelfbeeld,
  • Vanuit verschillende invalshoeken: we zorgen voor herhaaldelijk overleg tussen de verschillende leerkrachten, maar ook met de ouders om op die manier verschillende perspectieven samen te brengen.
  • Op verschillende manieren: we vinden het belangrijk om niet alleen informatie te verzamelen over wat een leerling kan/kent (product), maar ook over het proces dat hij/zij doorloopt. Daarom maken we gebruik van een brede waaier aan evaluatievormen naast toetsen: reflectie, feedback (leerling-)gesprekken, portfolio …

Aanpak

Om bovenstaande visie waar te maken, beschouwen we evaluatie als een permanent gebeuren, en niet als iets wat zich steeds op het einde van het leerproces afspeelt (hoofdstuk, trimester, schooljaar…).

Via verschillende evaluatiemomenten tijdens het leerproces gaan we na welke vorderingen de leerlingen maken.

Evalueren begint bij aanvang van iedere les, wanneer de leerlingen duidelijke instructies krijgen over de verwachtingen, de doelstellingen, de mogelijke manieren van aanpak en de evaluatiecriteria.

Tijdens het leerproces spelen observeren, feedback geven en reflecteren een cruciale rol. Door gericht te observeren kan de leerkracht nagaan in welke mate de leerlingen de beoogde doelen beheersen. Het is daarbij aangewezen om leerlingen zelf ook uit te dagen hierover te reflecteren en zichzelf en/of medeleerlingen in te schatten. Zo krijgen ze een goed zicht op hun sterktes en zwaktes per vak, maar ook op hun persoonlijke uitdagingen. Het maakt de leerlingen bijgevolg bewust van hun eigen vooruitgang. Ze worden als het ware vergeleken met zichzelf en niet met andere leerlingen. Als hulpmiddel kan hierbij gebruik gemaakt worden van reflectiefiches en/of portfolio[1].

Uiteraard voorzien we in het hele proces ook momenten van toetsing, Toetsen beschouwen we als objectieve meetmomenten waarbij nagegaan wordt in welke mate leerlingen in staat zijn hun kennis, vaardigheden en attitudes aan te spreken om tot een goed eindproduct te komen.

De wijze waarop een toets onderzoekt in welke mate een leerplandoelstelling al dan niet bereikt is, gaat onvermijdelijk uit van een ‘subjectieve’ inschatting van de moeilijkheidsgraad waarop dit gebeurt. Om hier te zorgen voor een goed evenwicht in moeilijkheidsgraden (onderkant-bovenkant van een doelstelling), maakt de school gebruik van een systematiek om dit evenwicht te bewaken: de zogenaamde ster-vragen. Deze systematiek impliceert dat leerkrachten steeds een inschatting maken van de moeilijkheidsgraad en wanneer de bovenkant van een doelstelling bevraagd wordt, een ster zetten voor deze vraag. Ster-vragen mogen per rapportperiode maximaal 30% uitmaken van de totaliteit aan toetsvragen. In de eerste graad, gezien de oriënterende functie van deze graad, wordt er voor elke stervraag een alternatieve vraag voorzien die dezelfde doelstelling bevraagt op een variërende moeilijkheidgraad.

Een toets betekent tot slot in het hele evaluatieverhaal geen eindpunt, maar een nieuw startpunt, waarbij leerlingen door te reflecteren over de resultaten op de toets(en) opnieuw uitgedaagd worden hun leerproces al dan niet te bestendigen of aan te passen. 

Aangezien we evaluatie op school beschouwen als een permanent gebeuren willen we dit ook uitdragen via de waarde die we toekennen aan de verhouding tussen trimestriële of semestriële examens enerzijds en het dagelijks werk anderzijds. Zo gebeurt de evaluatie in het hele eerste jaar permanent, maar zijn er tegelijkertijd ook heel wat vakgebieden die in alle jaren de leerlingen permanent op een brede manier evalueren. Waar dit niet het geval is, omvat het dagelijks werk een waarde die op zijn minst 50% van de totale evaluatiewaarde vertegenwoordigt.

Rapporteren

Bij breed evalueren is het ook belangrijk om breed te rapporteren.  

Het rapport beschouwen we als een belangrijk instrument in het onderwijsleerproces. Het brengt de evolutie van leerlingen in kaart, zodat leerlingen (maar ook ouders en leerkrachten) weten waar de leerling staat en wat hij/zij gerealiseerd heeft. Tegelijkertijd werkt de school met het rapporteringssysteem skore binnen smartschool, wat ouders en leerlingen elke dag de mogelijkheid biedt om hun resultaten digitaal te raadplegen en op te volgen.

Het rapport is verder een belangrijk middel om te communiceren over het leerproces van de leerling. Het brengt een rijke communicatie op gang over het leer- en onderwijsproces niet alleen tussen de leerlingen en de school of de school en de ouders, maar ook tussen leerlingen en hun ouders.

Het rapport heeft eveneens tot doel om leerlingen te motiveren, doordat het duidelijk aangeeft waar ze staan en welke evolutie ze doorgemaakt hebben. Het geeft leerlingen informatie om naar zichzelf te kijken en hun zelfbeeld te bevestigen of bij te stellen. Omdat we het belangrijk vinden dat leerlingen hun eigen evolutie en leerrendement bekijken en bespreken, vertoont het rapport op het Inspirocollege geen klasgemiddelde of mediaan. We vinden het eveneens belangrijk dat ze deze evolutie steeds per vak/interessegebied bekijken. Daarom wordt er ook geen gemiddeld cijfer over alle vakken heen weergegeven op het rapport.

De resultaten van een leerling op elk vak worden uitgedrukt zowel in een cijfer als in woordcommentaar. Uiteraard zijn cijfers/resultaten waardevolle gegevens, maar we vinden het ook belangrijk dat het rapport feedback geeft over interesses, talenten, attitudes, motivatie … Wie breed evalueert, rapporteert immers ook breed. Woordcommentaar is hier het uitgelezen instrument voor. We voorzien dan ook geen apart attitude-rapport, gezien attitudes niet op zich staan.

De resultaten op de POP-uren kennen op het vlak van rapportering een verticale opbouw, helemaal in lijn met hun graad-gebonden invulling. Daar waar de POP-uren in de eerste graad verkennend zijn, en leerlingen ondersteunen om vanuit verschillende interessegebieden brede competenties te ontwikkelen, worden hun resultaten alleen uitgedrukt via competentiegerichte woordcommentaar. In de tweede graad hebben de POP-uren eerder een verbredende doelstelling. Dat vertaalt zich op het rapport in woordcommentaar die inspeelt op de inhoudelijke verwerking van de POP-uren. Tot slot, de verdiepende doelstelling in de derde graad impliceert een verdiepende benadering van die essentiële leerstof die noodzakelijk is om jongeren goed voor te bereiden op een studierichting in het hoger onderwijs die aansluit bij hun interessegebied. POP-uren worden hier dan ook meer cognitief benaderd wat zich vertaalt op het rapport in cijfers met woordcommentaar.

Tot slot willen we benadrukken dat het rapport een overzicht geeft en slechts één fase is in het hele onderwijsleerproces. Evalueren gebeurt immers tijdens het hele onderwijsleerproces: ook tussentijds krijgen leerlingen informatie over het eigen presteren. Het is belangrijk om naast die ‘continue’ rapportering’ over het proces ook een overzicht te geven en de evolutie van leerlingen in kaart te brengen. Dit overzicht is voor iedereen interessant: leerkrachten, ouders én leerlingen en het helpt om door de bomen het bos weer te zien.

[1] Portfolio: een bundeling van activiteiten, toetsen en reflectiefiches  per vak waarin verschillende gegevens over de leerling gebundeld zitten. Het geeft niet enkel een beeld van het bereikte product, maar het schept ook klaarheid over het leerproces dat de leerling doormaakt.